Klik hier als je deze mail niet goed kan lezen.
 
inhoud

Nieuwe projectmedewerkster Itinera Nova  
     
 
Sinds midden juni is Agata Dierick (op de foto hierboven uiterst links) in dienst bij het stadsarchief Leuven als de nieuwe projectadviseur voor het Itinera Novaproject.  Zij volgde Inge Moris op, die per 15 mei ll. ontslag nam. Agata was voordien al ruim twee jaar als vrijwilligster en corrector betrokken bij Itinera Nova. Zij is dan ook vertrouwd met de werking van het project en met de ondersteuning en begeleiding die de vrijwilligersgroep nodig heeft.

Agata studeerde eerst archeologie aan de KULeuven en behaalde vervolgens een interuniversitaire master-na-master in de archivistiek. Ze heeft niet de gewoonte om traag te zijn, getuige het persbericht achter deze link (http://nieuws.kuleuven.be/node/4529 ) over haar allereerste activiteit in Leuven. Voor Itinera Nova is ze alvast met dezelfde gedrevenheid aan de slag gegaan.

Agata is via e-mail te bereiken op agata.dierick@leuven.be
 
  terug naar inhoud
 
 
Agata Dierick voor SAL naar Krakau  
     
  Midden juli nam onze kersverse projectmedewerkster Agata Dierick in Krakau (Polen) deel aan de internationale Digital Humanities Conference 2016. Ze stelde er in een workshop de vrijwilligerswerking van Itinera Nova voor en wisselde met medewerkers van andere prestigieuze archief- en museumprojecten wereldwijd van gedachten over de technische, institutionele, sociale en budgettaire implicaties én kansen van het werken met grote vrijwilligersgroepen. In de rand van deze belangrijkste jaarlijkse conferentie rond digitale toepassingen binnen de humane wetenschappen bezocht Agata - die Pools als tweede moedertaal heeft - ook het Rijksarchief van Krakau. Want deze stad is één van de partnersteden waar Leuven al geruime tijd mee verzusterd is. Met het prestigieuze archief ginds waren er in 2009 al goede contacten, die nu opnieuw geïntensifieerd zijn. Agata bezorgde volgend kort verslagje van haar visite aan de archiefcollega's in Krakau.
 
Op maandag 11 juli bracht ik een bezoek aan het Rijksarchief te Krakau. De bedoeling hiervan was om de vriendschapsbanden weer aan te halen. Deze waren onder andere ontstaan bij het bezoek van twee leden van het Rijksarchief, Aldona Warzecha en Magdalena Marosz, in het kader van de Leuvense tentoonstelling In vriendschap verzusterd. Een kijk op de Leuvense zustersteden via hun archiefdiensten in 2009. Het gesprek met rijksarchivaris Wojciech Krawczuk verliep zeer hartelijk en er werden onderling geschenken uitgewisseld. Ik stelde het Itinera Novaproject voor en hij was zeer onder de indruk. Ik vernam tevens dat een medewerker van het Rijksarchief, Kamilla Follprecht, zich bezighoudt met digitalisering. Het zal dus zeker lonend zijn om hieromtrent verdere ideeën en ervaringen uit te wisselen. Daarnaast bestonden er in Polen eertijds ook schepenbanken. Dat biedt de opportuniteit om in de toekomst eventuele gelijkenissen/verschillen na te gaan. We beloofden elkaar eveneens op de hoogte te stellen mochten er lezingen, congressen of projecten worden georganiseerd die ook nuttig kunnen zijn voor de zusterinstelling.
 
  terug naar inhoud
 
 
Akte in de kijker  
     
  Bij het transcriberen van akte SAL7386 r°147.1-r°149.1 stuitte Greet Stevens op een merkwaardige formulering. De akte d.d. 10 oktober 1492 doet verslag van de uitspraak van de Leuvense schepenen in een geschil tussen Filibert de Marceul, “dit la ronne[i], en de weduwe van Hendrik Van Oeteren, de waardin van de afspanning In de Sterre. Filibert had zijn paard omstreeks Pinksteren van het jaar voordien  een tijdje in de herberg gestald en betaald om het te voederen. De waardin had het echter zonder zijn medeweten en instemming uitgeleend aan Joris De Hont, die ermee naar de Voer was gereden. Van die rit – aldus de klager – was het paard zo nat teruggekomen, dat het verkouden was geworden en een dag of drie vier geen haver had willen eten. Ondanks toegediende medicijnen door de paardenarts (maerscalc) was het paard nadien ziek gebleven:

“… alsoe dat dat soe/
hert ende droege tortte dat men met sijne(n) torten die/
voeten niet en conste gevullen soemen voirmaels geploge(n)/
hadde mair om dat te vullen(e) hadde moeten neme(n)/
van ande(re)n peerden
…”
 
Het paard van Filibert de Marceul bezweek een maand later ook aan zijn verzwakte conditie. De eigenaar claimt dan ook een schadevergoeding. Aan beide partijen wordt gevraagd om getuigen op te roepen ('gewijst tot huren toone'). Filibert laat de veearts en een stalknecht van de herberg oproepen, maar die laatste getuigt eerder in zijn nadeel. De herbergierster laat Joris De Hont en enkele mensen die met hem meegereden waren naar de Voer getuigen dat die rit heel normaal (‘zonder utrage’) verlopen was en het paard gezond en wel naar de stal terugkeerde. De schepenbank stelt uiteindelijk de waardin in het gelijk, op voorwaarde dat zij en haar stalknecht onder eed verklaren de waarheid gezegd te hebben.

Raadselachtig in het bovenstaande citaat is welke “voeten” er niet meer gevuld konden worden, omdat de uitwerpselen ('torten') van het zieke paard daarvoor te hard en te droog waren. Om daar een antwoord op te geven is een combinatie van inzichten uit de archeologie en de historische landbouwgeschiedenis nodig. Bij opgravingen in stedelijke omgeving zijn immers al vaker stroken paardenmest onder het laat-middeleeuwse bodemoppervlak aangetroffen. Het gaat daarbij om restanten van zogenaamde broeibedden die in de moestuin aangelegd werden.

“Een broeibed is een uitgegraven structuur in de grond, gevuld met broeimest, meestal paardenmest, en daarop een laag aarde, waarop vaak bovengronds een schuin oplopende bekisting is aangebracht met een afdekmogelijkheid, bedoeld om speciale gewassen vroeg in het seizoen te kunnen kweken en te beschermen tegen weersinvloeden. […] Door de stapeling van verse broeimest en aarde in een min of meer gesloten omgeving wordt een ontbindingsproces van het plantaardige materiaal in de mest op gang gebracht door de laag aarde te besprenkelen met water. In dit ontbindingsproces komt warmte en koolzuur (CO2) vrij: de broei. ”[ii]

Op dergelijke broeibedden kon men dan bijzondere groenten zoals komkommers, kropsla, radijzen, spinazie, biet en venkel kweken of alledaagse groenten al vroeg in het voorjaar of zelfs nog tijdens de winter oogsten. De 'voeten' die Filibert de Marceul met het mest van zijn paard wou vullen, moeten dus figuurlijk begrepen worden als de uitgegraven onderlaag van de broeibedden in zijn moestuin.
 
[i] Misschien gaat het hier om een telg van het Normandische adelsgeslacht de Marceul, heren van Eron.
[ii] Cf. Jantine Hos, Mysterieuze middeleeuwse mestkuilen Archeobotanisch onderzoek naar tuinbouwmethoden in de Late Middeleeuwen in stedelijke context, BA-scriptie Universiteit Leiden – Faculteit Archeologie, 2015, blz. 15 & 17.
 
  terug naar inhoud
 
 
Begrip in de kijker: auctentijke vidimus  
     
  Regelmatig duikt in de transcripties het woord vidimus op. Zo heeft Jan Stiers in een schepenakte van 10 februari 1461 beloofd om alle documenten betreffende het huis gelegen op de Grote Markt aan Hendrik Mandemaker over te dragen of auctentijke vidimus daer uut te gevene ghelijck de selve brieve liggende sijn in eenen roeden vierkante coffer.

Vidimus betekent letterlijk ‘wij hebben gezien’. Het is een gelegaliseerd afschrift van een oorkonde of akte, voorzien van een zegel dat de wettelijke bewijskracht gaf.

Soms lees je in een schepenbankakte ook een copye of vidimus. Ook het feit dat het een gezegeld document betrof, wordt vaak letterlijk in de akte vermeld. Een adjectief dat vaak in combinatie met vidimus gebruikt wordt is ‘authentiek’ (autentij(c)k). De oorspronkelijke betekenis hiervan is ‘eigenhandig geschreven; van de opsteller zelf afkomstig’. Later is die betekenis wat verruimd naar: ‘overeenstemmend met het oorspronkelijke (en daaraan zijn rechtskracht ontlenend)’ en vervolgens nog algemener naar ‘rechtsgeldig’ of ‘beantwoordend aan de vereiste vorm om rechtsgeldig te zijn’.
Een vormvariant van dit adjectief die in de 15de- en 16de-eeuwse geschriften aangetroffen wordt is auctenti(j)k. In het momenteel beschikbare corpus van schepenbankakten uit de 15de eeuw, komt die vorm een 12-tal keer voor. Misschien werd deze wat verhaspelde vorm ingegeven door het Latijnse woord auctor, dat ook als aanduiding voor een schrijver gebruikt werd.
 
  terug naar inhoud
 
 

      Uitschrijven | Stuur door naar een vriend
      Copyright © 2014 | Stadsarchief Leuven | All rights reserved.